Slavernij op Curaçao

Cultuurgeschiedenis - Koloniale geschiedenis

Slaven deden zelf mee aan het systeemHN nr. 5/2007

Door: Jeannette van Ditzhuijzen en Els Langenfeld

Slaven die zelf slaven hielden en vrijen die voor een bestaan in slavernij kozen: het slavenbestaan op Curaçao zag er anders uit dan de geijkte verhalen over de verhouding tussen blank en zwart suggereren.

Er was eerder slavernij in Afrika dan op de Caribische plantages en in het zuiden van de Verenigde Staten. Toch worden steevast alleen blanken aangesproken op de ellende van de slavernij. Gemakshalve vergeet men dat zwarten en kleurlingen soms zelf ook slaven hielden. Niet alleen in Afrika, ook op Curaçao, waar menig voormalige slaaf zelf slaveneigenaar werd. In sommige gevallen lijkt het zelfs alsof vrije lieden vrijwillig voor de slavernij kozen.

Er is op Curaçao nog nooit grondig onderzoek gedaan naar de leefomstandigheden van de slaven, afgezet tegen die van de 'gewone man'. Een eerste duik in het Nationaal Archief van de Nederlandse Antillen levert al meteen een beeld op dat haaks staat op het stereotype van de boze blanke meester versus de arme zwarte slaven. Sterker nog: de slaven deden zelf mee aan het systeem.

Neem de negerslaaf Johannes Paulus Rib. Hij was 33 jaar oud toen hij zichzelf in 1842 vrijkocht met het geld dat hij had verdiend als schrijnwerker. Zijn voormalige eigenaar, Andries de Lannoy, had Rib namelijk een opleiding laten volgen, een niet ongebruikelijke gang van zaken in die tijd op Curaçao. Daardoor kon Rib als vrij man een goed bestaan opbouwen. Twintig jaar na zijn vrijmaking werd Rib zelfs plantage-eigenaar: voor 3800 gulden kocht hij de kleine plantage Papaya, inclusiefde inventaris van tweeslaven, veertig runderen en honderdvijftig schapen.

Zijn eerste slaaf had Rib al in 1846 aangeschaft, gevolgd door diverse andere slaven, die hij verhandelde. Opvallend genoeg kocht hij niet zijn in slavernij levende familieleden vrij. Op 1 juli 1863, de dag waarop alle slaven hun vrijheid kregen, had de voormalige slaaf zelf negen slaven en slavinnen in eigendom. Een flink aantal, want op dat moment bezat tweederde van de Curaçaose slaveneigenaren hooguit vijf slaven. Slechts tien van de 721 eigenaren op het eiland waren in het bezit van honderd of meer slaven.

 

 

Kostgrondje

Was de slavernij op Curaçao anders dan bijvoorbeeld in Suriname of de Verenigde Staten? In sommige opzichten wel. Suriname en de Verenigde Staten waren plantage-economieën, waar de slaven hard nodig waren om goede oogsten te leveren. De waarde van de slaaf werd er bepaald door zijn productiecapaciteit. Curaçao daarentegen leefde van de handel. Daar vertegenwoordigde de slaaf zélf een bepaalde waarde, waarmee je kon handelen.

Zoals een belegger nu aandelen op de beurs verkoopt als hij in geldnood zit, zo verkocht de Curaçaoënaar een slaaf wanneer de oogst tegenviel of wanneer het slecht ging met de handel. Een ander verschil is dat op de afgelegen Surinaamse plantages zo'n honderd tot honderdvijftig slaven werkten. Op Curaçao daarentegen was een plantage meer een 'gemengd bedrijf' met een handjevol slaven. Zo'n plantage leverde producten als gierst, bonen, meloenen en komkommers voor eigen gebruik en de binnenlandse markt. Verder werden er geiten, schapen en runderen gehouden, zowel voor het vlees als de melk, en hadden sommige plantages zoutpannen. Slechts enkele van de circa honderdzestig plantages waren wat groter, maar ook daar woonden en werkten niet meer dan een paar dozijn slaven. Ter vergelijking: rond 1815 leefde in Suriname ruim 75 procent van de bevolking in slavernij; op Curaçao ging het toen om minder dan 50 procent, namelijk 6800 op een bevolking van 14.000.

Op Curaçaose plantages woonden en werkten overigens niet alleen slaven. Rond 1800 leefden er ruim tweeduizend 'vrije lieden' (zwarten en kleurlingen) op de publieke weidegronden of tussen de slaven op de plantage. Wanneer een eigenaar handen tekortkwam, huurde hij hen gewoon per dag in. Vooral in de plant- en oogsttijd was het ongetwijfeld hard werken. De slaven en vrijen maakten lange dagen op het land en daarna op hun eigen kostgrondje. Een plantageslaaf kreeg namelijk meestal een lapje grond tot zijn beschikking dat hij in zijn vrije tijd bewerkte. De opbrengst daarvan en van bijvoorbeeld de visvangst kon hij verkopen. Het geld mocht hij weliswaar houden, maar nogal wat eigenaren dwongen de slaven om spullen bij hen te kopen, tegen uiteraard te hoge prijzen. Plantageslaven hadden daardoor minder vaak dan stadsslaven voldoende geld om zichzelf vrij te kopen. Maar het klassieke beeld van de slaaf met achter hem een bomba (een slaaf die was aangesteld als opzichter) met zweep in de hand, komt inde archieven van Curaçaoeigenlijk nauwelijks voor. Zeker niet als het over stadsslaven gaat, die halverwege de negentiende eeuw bijna de helft van alle slaven uitmaakten. Stadsslaven woonden en werkten in de stad als ambachtsman, huisbediende of sjouwer. Dikwijls verdienden ze zelfstandig een inkomen, waarvan ze een vast bedrag per week aan hun eigenaar betaalden. Of ze ontvingen van hem een (klein) salaris. Zo konden stadsslaven een huis huren, of sparen om zichzelf of hun kinderen vrij te kopen. Manumissie (vrijlating) kwam daardoor vaker voor dan in Suriname. Daarnaast werden slaven vaak vrijgelaten wegens trouwe dienst of genegenheid. Dit was een rechtstreeks gevolg van de nauwere band tussen slaven en hun meesters; een band die heel anders was dan inSuriname, waar de slaven op de plantages een geïsoleerde gemeenschap vormden. De tegenwerping dat slaveneigenaren hun slaven vooral vrijlieten als ze oud of ziek waren, lijkt in zijn algemeenheid niet te kloppen met de cijfers. In de slavenregisters uit de negentiende eeuw zijn talloze oude, niet-gemanumitteerde slaven opgenomen, maar ookde manumissies van eengroot aantal kinderen en slaven inde kracht van hun leven. Door de frequente manumissies was er in Curaçao een aanzienlijk groter aantal vrijen dan in Suriname: in 1863 was iets minder dan een kwart van de Surinaamse bevolking een vrije zwarte of kleurling; op Curaçao was dat ruim de helft. Liefdesrelatie Ook door erfenissen konden slaven sociaal en financieel opklimmen. Zo valt dikwijls in testamenten te lezen dat de slaven nade dood van hunmeester 'hun volkomen vrijdom en ontslag van allen slaafschen diensten' zouden krijgen. Verder lieten slaveneigenaren hun slaven soms kleren na, een meubelstuk, gouden sieraden, een geldbedrag, of een huis. Daarnaast konden slavinnen via een liefdesrelatie tot rijkdom komen. De slavin Clementina en haar negen kinderen werden bijvoorbeeld gemanumitteerd door Clementina's minnaar en eigenaar, de Joodse koopman Manuel Penso. Penso was weduwnaar en had bepaald dat zijn wettige kinderen de ene helft van zijn erfenis zouden krijgen, en Clementina de andere helft. Dat was niet mis. Zijn onroerend goed bracht na zijn dood zo'n 38.000 gulden op, waarvan de helft dus voor Clementina was. Daarvan kocht zij de plantages Ma Retraite, Klein St.-Kruis, Hermitstil, Rozendal en Kas Grandi. In één klap was deze voormalige slavin grootgrondbezitster geworden. Eenmaal vrij konden ex-slaven voor zichzelf beginnen. Dat deed bijvoorbeeld Josef Kogen, die zichzelf ook Cohen noemde. Na zijn manumissie in 1833 kocht en verkocht hij slaven. Hij schafte de slavin Delai aan plus haar vijf kinderen, om ze in 1839 weer te verkopen. Ook de door hem gekochte slaven Davaela en Fabias deed hij binnen een halfjaar weer van de hand. De 33-jarige ex-slaaf kocht verder vervallen woningen op, die hij repareerde en vervolgens met winst verkocht. Uiteindelijk was hij eigenaar van diverse huizen in Otrobanda, Pietermaai en Punda. Het is dan ook een misverstand dat alle blanken op Curaçao rijk waren en alle zwarten en kleurlingen arm. Naar schatting bezaten in de negentiende eeuw meer dan honderd voormalige slaven een of meer woningen, een stuk grond of zelfs een plantage. Hoeveel zwarten of kleurlingen slaven bezaten is niet exact bekend, omdat zich soms achter een 'blanke' naam een kleurling verborg. Waarschijnlijk ging het in 1863 om zo'n 15 tot 20 procent van de slaveneigenaren. Zeker is dat van de 721 slaveneigenaren in dat jaar er 25 vroeger zelf slaaf waren geweest. In het Nationaal Archief op Curaçao zijn niet alleen voorbeelden te vinden van zwarten of kleurlingen die slaven bezaten, maar ook van slaven die eigendom waren van vrije familieleden. De voormalige slavin Catita bijvoorbeeld, erfde haar bloedeigen kleindochter Catalina. Catita vroeg manumissiebrieven voor haar aan, maar wel met de uitdrukkelijke bepaling dat Catalina en eventuele kinderen pas na haar dood van slaafse dienst bevrijd werden. Aangenomen mag worden dat in gevallen als dit de slaafse staat vaak niet meer was dan (het ontbreken van) een stuk papier. Curieuzer is het verhaal van Dondiego Martijn, die zijn vrijheid kreeg door zichzelf te ruilen tegen de negerin Maria Rosa en haar zoontje Simon. Ditkanbetekenen dat Maria Rosa en Simon slaven waren van de slaaf Martijn. Misschien ook waren het vrijen die vanwege de bestaanszekerheid (voedsel, kleding, onderdak) liever in slaafse dienst traden. Een vrije zwarte of kleurling kon zichzelf namelijk verhypothekeren en zo (weer) slaaf worden. Een dergelijke vrijwillige keuze wordt enigszins begrijpelijk na het lezen van het rapport van gouverneur-generaal Albert Kikkert uit 1817. Hij schrijft onder meer dat de 'stadsslaven, zoals de huisbedienden, sjouwers en anderen, over 't algemeen een beter leven hebben dan arme blanken en vrije lieden, die zelf voor hun onderhoud moeten zorgen'. Maar hoeveel geld een slaaf ook verdiende, hoe goed het contact met zijn of haar meester soms ook was, hij bleef een onvrije. Een slaaf was volkomen afhankelijk van zijn eigenaar en werd als handelingsonbekwaam beschouwd. Het gevolg van die handelingsonbekwaamheid was dat bijvoorbeeldde weduwe van Nicolaas Tentooren toestemming moest geven aan haar slavin Maria Louisa voor de manumissie van de slavin Maria. Maria Louisa had Maria ooit cadeau gekregen en hier bezat dus de ene slavin de andere. Maar Maria wilde zich van Maria Louisa vrijkopen, en dat kon alleen als de weduwe Tentooren - eigenaresse van Maria Louisa - haar zegen gaf aan deze transactie tussen de twee slavinnen. Zweepslagen Dit alles suggereert uiteraard niet dat er geen misstanden voorkwamen op Curaçao. Want hoewel het volgens een wet uit 1812 verboden was 'slaven op ene onredelijke manier te straffen', gebeurde het natuurlijk toch. Dat ondervond de twaalfjarige slaaf Juan Carlo, die in 1818 door zijn meester Samuel Henriquez van plantage Klein Piscadera zwaar werd mishandeld. Na het toedienen van talloze zweep- en stokslagen smeerde Henriquez Carlo's wonden hoogstpersoonlijk in met een mengsel van citroensap en peper. Het was de straf voorde dood van eenlammetje, dat door roofvogels was aangevallen. Een week later bezweek de jongen aan zijn verwondingen en de afschuw hierover was groot op Curaçao. Als waarschuwing voor andere slaveneigenaren werd Henriquez veroordeeld tot verbanning voor het leven uit de kolonie Curaçao 'op straffe van zwaardere straffen'. Maar ondanks deze en andere misstanden lijkt na diepgaande bestudering van talloze archiefstukken de conclusie gerechtvaardigd dat 'het juk van de slavernij' op Curaçao niet zo zwaar woog als ons vaak wordt voorgespiegeld. Dit artikel is gebaseerd op bronnen uit het Nationaal Archief van de Nederlandse Antillen inCuracao. 1 juli: Op 1 juli wordt bij het Nationaal Monument Nederlands Slavernijverleden in het Amsterdamse Oosterpark het einde van driehonderd jaar slavernij herdacht - de slavernij werd afgeschaft na verzet van slaven en Nederlandse abolitionisten op 1 juli 1863. De herdenking wordt georganiseerd door het NiNsee (Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis). Namens de regering zal integratieminister Ella Vogelaar dit jaar de plechtigheid bijwonen. Meer informatie Over het leven van de 'gewone' Curaçaoënaar in de negentiende eeuw schreef Els Langenfeld: Verhalen uit het Verleden (eigen uitgave, 210 p., € 20 incl. verzendkosten), bestellen via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. . Rose Mary Allen beschrijft in haar recente dissertatie Di ki Manera? A Social History of Afro-Curaçaoans, 1863-1917 (304 p., Uitgeverij SWP, € 38,20) vanuit een sociologisch gezichtspunt de complexe maatschappelijke verhoudingen in de periode na de afschaffing van de slavernij. Museum en Archief Het Nationaal Archief van de Antillen is gevestigd in Willemstad, Curaçao. Het heeft een website met informatie:www.nationalarchives.an. In Otrobanda, Curaçao is een Afrikamuseum dat aandacht schenkt aan de slavenhandel op de Antillen, het Museum Kura Hulanda, dagelijks geopend van 10-17 uur. Website:www.kurahulanda.com/04a_museum_info.html

Inloggen